De gemeentelijke bezuinigingen op het openbare bibliotheekwerk leiden tot meerdere en verschillende verschijningsvormen van de bibliotheek. Niet alleen verschilt de hoogte van de bezuinigingen sterk per gemeente. Ook bieden de bibliotheken ieder op eigen manier de bezuinigingen het hoofd. Daarmee bevestigt het vervolgonderzoek ‘Gemeentelijke bezuinigingen op openbaar bibliotheekwerk’ de in 2010 ingezette tendens dat de bezuinigingen een bedreiging vormen voor de innovatiekracht van de openbare bibliotheken.
Dit is de conclusie van het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken op basis van het vervolgonderzoek ‘Gemeentelijke bezuinigingen op openbaar bibliotheekwerk’, ontwikkeling van het bibliotheeklandschap in de periode 2012 – 2014 van Kasperkovitz Beleidsonderzoek. Dit monitoronderzoek is in opdracht van SIOB uitgevoerd om de ontwikkelingen en effecten van bezuinigingen op het bibliotheekwerk over langere periode in kaart te brengen. Het is een vervolg op een onderzoek uit 2010.
Uit het recente vervolgonderzoek blijkt dat in de periode 2012 – 2014 88% van de bibliotheken te maken krijgt met gemeentelijke bezuinigingen. De omvang van de bezuinigingen varieert sterk in die periode: van -63 % tot + 7%. Gemiddeld verwachten bibliotheken in de periode 2012 – 2014 een teruggang in de subsidie met 9,1%.
Wat het sectorinstituut opvalt is dat de effecten van de bezuinigingen groter zijn dan verwacht. De bezuinigingen leiden bij veel bibliotheken tot een kleiner aantal volwaardige vestigingen, tot een vermindering van openingsuren, tot minder personeel en een kleinere collectie. Mogelijk is dit te wijten aan de verwachte piek in subsidievermindering in 2012. Bibliotheken lijken te anticiperen op het doorzetten van gemeentelijke bezuinigingen in de jaren daarna. Overigens zijn dit te verwachten effecten bij bibliotheken die aangaven daadwerkelijk vestigingen te gaan sluiten. Dit is vooralsnog in minder dan de helft van de bibliotheken het geval. En vaak wordt de sluiting van volwaardige vestigingen gecompenseerd door het openen van servicepunten, zoals onbemenste vestigingen (de plug-in-bibliotheek) en kleinere vestigingen in scholen.
Het lijkt er op dat de bezuinigingen leiden tot meerdere en verschillende verschijningsvormen van de bibliotheek. Sommige bibliotheken keren terug naar de kernfunctie ‘lezen en leesbevordering’. De ingezette verbreding van de kernfuncties zoals kennis en informatie, ontwikkeling en educatie, kunst en cultuur, ontmoeting en debat’ gaat daarmee teniet. Een andere groep legt zich toe op de educatie en mediaontwikkeling en zet in op digitale media. Leesbevordering wordt hier verbreed naar mediawijsheid. Er ontstaat zo een variëteit aan verschijningsvormen in het bibliotheeklandschap.
SIOB streeft naar een sterk bibliotheekstelsel. Uitgangspunt daarbij is dat de bibliotheekfunctie centraal staat met een groot bereik bij een brede publieksgroep op zo’n manier dat die aansluit bij de informatiebehoefte van de doelgroep. De tendens dat gebouwen plaats maken voor servicepunten dichtbij de doelgroep en voor een digitaal aanbod van informatie past in de toekomstvisie die SIOB ziet voor bibliotheekwerk. SIOB onderschrijft de constatering van het onderzoek dat er een taak ligt voor de drie landelijke organisaties SIOB, VOB en B.nl om te bepalen wat ‘het merk bibliotheek’ minimaal zou moeten inhouden. Een heldere visie op de maatschappelijke betekenis van de bibliotheek en haar (digitale) diensten is daarvoor een noodzakelijk basis. SIOB zal dit onderzoek meenemen in de ontwikkeling van zijn visie op het landelijk stelsel van openbare bibliotheken in 2016. Die wordt eind december gepresenteerd tijdens de Bibliotheektweedaagse.

