De radio beleefde zijn hoogtijdagen in de periode voordat de televisie brede ingang vond. Uiteindelijk moest als belangrijkste medium voor informatie en vermaak zijn plaats afstaan aan de televisie.
Hoofdactiviteit
Het SCP registreert al vanaf 1975 de tijd die men aan televisie en radio besteedt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kijken, c.q. luisteren als hoofdactiviteit (de belangrijkste activiteit die mensen in een bepaalde tijdsperiode hebben verricht) en het kijken of luisteren als nevenactiviteit (bij een andere hoofdactiviteit).

Al bij de eerste metingen van de aan televisie en radio bestede tijd bleek dat televisie kijken als hoofdactiviteit hoog boven het luisteren naar de radio uittorende. In de loop van de jaren nam het luisteren naar radio als hoofdactiviteit verder af. In 2005 werd de radio nog maar 0,5 uur per week gebruikt als hoofdactiviteit.
Het gebruik van de televisie als hoofdactiviteit steeg tot 12,4 uur per week in 2000, maar moest daarna tijd prijs geven en viel weer terug naar het niveau van begin jaren 80 van de vorige eeuw. In de jaren negentig werd het aantal televisiezenders uitgebreid, hetgeen resulteerde in een groei van de kijktijd. Vanaf 2000 daalt de tijd besteed aan televisie kijken, waarschijnlijk als gevolg van de stijging van tijd die aan online bezigheden wordt besteed (zie ook Huishoudens op breedband internet).
Nevenactiviteit
De radio wint het van de televisie als de uren geteld worden waarin de radio als nevenactiviteit gebruikt wordt. Kennelijk laat het luisteren naar de radio zich makkelijker met andere bezigheden combineren dan televisiekijken (zie ook Multitasken). Opvallend is dat het televisiekijken als nevenactiviteit over de jaren heen weer terug is op het niveau van 1980. Daarentegen is het luisteren naar de radio na de piek in 1980 gedaald: eerst licht maar tegen 2000 snel. In deze tijd kwam er concurrentie van internet.

Televisie kijken naar opleidingsniveau
Het aantal uren per week dat er naar de televisie wordt gekeken, hangt samen met het opleidingsniveau. Opvallend is dat de tijdsbesteding aan televisie voor alle drie de opleidingsniveaus in de loop van 30 jaar eenzelfde patroon laat zien. Zowel de stijging in de jaren tot ca. 2000 als de daling tussen 2000 en 2005 treden in de drie opleidingsniveau’s min of meer gelijk op. De toename van de kijktijd heeft waarschijnlijk te maken met de toename van zowel het aantal zenders als de zendtijd. De afname vanaf 2000 optreedt, wordt toegeschreven aan de stijging van het gebruik van internet.
