In 1998 had 22% van de bevolking van Nederland een mobiele-telefoonabonnement. In 2009 waren er al 20% meer mobiele telefoonabonnementen dan inwoners.

Een deel van de mensen bezit meerdere mobiele telefoons, bijvoorbeeld doordat zij naast een privé telefoonabonnement ook een zakelijk abonnement hebben. Anderzijds beschikken niet alle inwoners, met name kinderen, over een mobieltje. Zoals blijkt uit een onderzoek door het SCP (Pijpers en de Haan 2010) had eind 2009 ruim drie kwart van de kinderen tussen 8 en 18 jaar een mobiele telefoon. Onder oudere kinderen neemt bezit van een mobieltje toe tot op de middelbare schoolleeftijd; dan hebben bijna alle kinderen een mobiele telefoon. Over het algemeen hebben meisjes iets vaker een mobieltje dan jongens (81%, tegen 77%). Het bezit van een mobieltje is onafhankelijk van het type onderwijs dat wordt gevolgd (vmbo, havo of vwo).
Jaarlijks worden er in Nederland bijna 6 miljoen nieuwe mobiele telefoons aangeschaft. Zo’n telefoon wordt gemiddeld 18 maanden gebruikt (De Betere Wereld, 15 oktober 2010). Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld het lezen van e-books op de mobiele telefoon kunnen daardoor zeer snel ingang vinden. In 2010 had al iets meer dan een derde van de mensen met internet (die samen 94% van de bevolking uitmaken) een mobiele telefoon met internet, zie internettoegang, apparatuur.
Europa
Het bezit van mobiele telefoons in Europa is geografisch gezien ongelijk verdeeld. Nederland bevindt zich met 1,2 mobiele telefoon per inwoner in de middengroep. Griekenland spant de kroon met 1,8 mobiele telefoon per inwoner. Portugal en Italië (beide 1,5 per inwoner) bezetten gezamenlijk de tweede plaats. Hekkensluiters zijn Oostenrijk (0,8 per inwoner), Turkije en Kroatië (beide 0,9 per inwoner).
