Laaggeletterdheid

Laaggeletterden hebben moeite met lezen, schrijven of rekenen. Daardoor worden zij belemmerd in hun functioneren, zowel in hun dagelijks leven als in hun werk. Het overgrote deel van de laaggeletterden neemt niet of nauwelijks deel aan activiteiten in de omgeving of op school. Naar schatting zijn in Nederland ongeveer 1,5 miljoen mensen laaggeletterd. Hiervan is 1 miljoen autochtoon en een half miljoen allochtoon.

Aanvalsplan laaggeletterdheid
Het voorkomen en verminderen van laaggeletterdheid leidt ertoe dat minder jongeren zonder diploma de school verlaten en dat minder mensen werkloos zijn of worden. Andere effecten van de bestrijding van laaggeletterdheid zijn dat mensen gezonder gaan leven en meer participeren in de maatschappij.
In 2006 is het Aanvalsplan laaggeletterdheid 2006-2010 gestart. Het bevat een aantal elkaar versterkende elementen. Uitgangspunt is dat de bestrijding van laaggeletterdheid dient te beginnen bij jonge kinderen (en hun ouders). In het onderwijs moet de taal een centrale plaats krijgen. Werkgevers worden gestimuleerd om hun werknemers lees- en schrijfcursussen aan te bieden en ervoor te zorgen dat deze de cursussen volgen. Op lokaal en regionaal niveau dienen gemeenten samen met scholen, werkgevers, bibliotheken, maatschappelijke organisaties en andere betrokken partijen hun krachten te bundelen. Aan het plan doet een groot deel van de grootste gemeenten mee.
De Rijksoverheid stimuleert de gemeenten via bestuurlijk overleg om laaggeletterdheid te voorkomen en te bestrijden (Convenant tussen werkgevers, werknemers en overheid 2007-2015). De 50 grootste gemeenten en de gemeenten Middelburg en Vlissingen (tezamen G52 genoemd) hebben onder hun bevolking gemiddeld meer laaggeletterden dan de rest van Nederland. Volgens de Monitor laaggeletterdheid G52 (Geertsma et al. 2010) huisvesten zij 44% van de bevolking van Nederland. In de G52-gemeenten woont naar schatting 56% van de laaggeletterden. Van de genoemde gemeenten heeft ca. 65% het voornemen een beleid te ontwikkelen op het gebied van laaggeletterdheid. Ruim een kwart van de gemeenten heeft ervoor gekozen geen beleid te ontwikkelen dat specifiek op laaggeletterdheid is gericht.
De Onderwijsraad doet in het advies Over de drempel van postinitieel leren (2012) een aantal aanbevelingen gericht op het verhogen van het kennisniveau van mensen met een opleiding van maximaal mbo-1 niveau. In het advies wordt gepleit voor een educatie-aanbod dat aansluit bij de leef- en werksituatie van volwassenen. Daarnaast raadt de Onderwijsraad aan kleinschalige experimenten op te zetten en deze te evalueren voordat er besloten wordt op grote schaal te experimenteren.

Inzet bibliotheken
Een substantieel deel van de laaggeletterden bezoekt wel eens de bibliotheek, en is daardoor gemakkelijker aan te sporen deel te nemen aan programma’s die verhoging van de geletterdheid ten doel hebben.
De gemeenten beschikken over een participatiebudget dat wordt ingezet voor reïntegratie, inburgering en educatie.Voor bibliotheken is dit de belangrijkste financieringsbron voor de aanpak van laaggeletterdheid in hun gemeente(n) (de Kleijn et al. 2011). Een deel van de gemeenten die een aanvalsplan hebben dat gericht is op de aanpak van laaggeletterdheid, heeft al goede afspraken gemaakt op het gebied van de bestrijding ervan, bijvoorbeeld op het gebied van leesbevordering door de bibliotheek. In 34 van de G52 gemeenten participeert de lokale bibliotheek in de aanpak van laaggeletterdheid. Ook in 5 van de niet-actieve gemeenten is de bibliotheek actief op het gebied van laaggeletterdheid. De aanpak van laaggeletterdheid is inmiddels in verschillende regio’s bij de provinciale serviceorganisaties geborgd.
In Bibliotheek Rotterdam blijken de hoger opgeleide inburgeraars zeer gemotiveerd: zij blijven na het Bibliotheek Programma gebruik maken van de bibliotheek.

Zie ook Leerfunctie bibliotheken.