Bevolking naar inkomensniveau

Bibliotheken vormen een goedkope bron van literatuur. Naarmate de welvaart stijgt, kan de noodzaak afnemen om voor een boek naar de bibliotheek te gaan.

Het aantal personen met een inkomen is in de jaren 2000-2008 aanzienlijk gestegen, van 11,6 miljoen in 2000 naar 12,4 in 2008, een toename van 6% ten opzichte van 2008.

In de periode 2000-2008 nam het aantal personen in de drie laagste inkomensklassen (persoonlijk inkomen respectievelijk onder €10000, tussen €10000-20000 en tussen €20000 en 30000), af met respectievelijk 490.000, 75000 en 161.000. Het aantal personen in de drie hoogste klassen nam toe met respectievelijk 415.000, 249.000 en 338.000.

De afname in aantallen personen per inkomensklasse is voor een deel veroorzaakt door de loonstijging in de periode 2000-2008. Deze bedroeg 22,7% en heeft vooral effect op het aantal personen in de laagste inkomensklasse, die tot €10000.

Zie ook de toelichting onder aan dit artikel.

Inkomensongelijkheid in Europees perspectief 
In Nederland bestaat een lage inkomensongelijkheid, vergeleken met andere lidstaten van de Europese Unie. De inkomensongelijkheid wordt uitgedrukt in de Gini-coëfficiënt. Een land met een kleine coëfficiënt heeft een lage inkomensongelijkheid. In 2008 was Slovenië het Europese land met de laagste inkomensongelijkheid. Ook Slowakije, Zweden en Tsjechië kennen een lage inkomensongelijkheid.

Nederland, België en Luxemburg bevinden zich in de landen die de middengroep vormen.

In Letland zijn de inkomensverschillen het grootst. Op enige afstand volgen Roemenië, Bulgarije en Portugal.

Noot 1: het persoonlijk inkomen bestaat uit het persoonlijk bruto-inkomen verminderd met betaalde inkomensoverdrachten en premies inkomensverzekeringen, met uitzondering van premies volksverzekeringen. Op het persoonlijk inkomen zijn premies ziektekostenverzekering, belastingen op inkomen en vermogen en premies volksverzekeringen niet in mindering gebracht. In de tabel zijn alleen die personen opgenomen die in de verslagjaren een inkomen hadden.

Noot 2: in 2008 bedroeg de lage inkomensgrens voor een alleenstaande volgens de definitie van het CBS €11020, ofwel €920 per maand. Bij het berekenen van de lage-inkomensgrens van meerpersoonshuishoudens wordt rekening gehouden met de omvang en samenstelling van het huishouden. Daardoor zijn de meerpersoonshuishoudens te vergelijken met het welvaartsniveau van alleenstaanden.