Tarieven

Bibliotheken kunnen zelf hun tarieven vaststellen. Daardoor kunnen de tarieven van bibliotheken onderling meer of minder sterk verschillen.

In het proces van de Bibliotheekvernieuwing is het aantal bibliotheekorganisaties sterk afgenomen door onderlinge fusies en netwerkvorming tussen bibliotheken. Tijdens dit fusieproces traden vaak verschillen in contributie tussen naastgelegen gemeenten aan het licht. Zo kon in de ene gemeente het jeugdlidmaatschap gratis zijn, terwijl er door de buurgemeente een relatief hoog bedrag werd gevraagd. In dergelijke gevallen dienden de contributievoorwaarden te worden geharmoniseerd. Daarbij deed zich gelden dat het niet bekend was welk contributiestelsel in zo'n situatie het beste zou zijn. Er ontstond daardoor behoefte aan een onderzoek naar de gevolgen van tariefveranderingen voor de toegankelijkheid, het aantal uitleningen en de inkomsten van bibliotheken. Dit tarievenonderzoek is uitgevoerd in 2009 (Huysmans en Röst 2009). Daarbij is gebruikgemaakt van leen- en lenergegevens uit 2008 afkomstig van een groot aantal bibliotheken uit Noord- en Zuid-Holland, en van bibliotheek Utrecht.

Resultaten
Het rapport van het tarievenonderzoek werd in september 2009 gepresenteerd. Enkele resultaten hieruit:

  • De keuze om lid te worden is niet afhankelijk van het inkomen – binnen de bandbreedte in dit onderzoek (€ 12,50 – 54,00). Mogelijk kunnen bibliotheken die een hoge kwaliteit bieden (op het gebied van de collectie, het gebouw, personeel, activiteiten) een hoger bedrag voor het lidmaatschap vragen en schrikken veel gebruikers er niet voor terug om een hogere prijs voor dit lidmaatschap te betalen.
  • De prijs vormt wel een belemmering voor groepen die het minder breed hebben, zoals mensen met een minimuminkomen, waaronder 65-plussers. Deze groepen zijn het best geholpen met een speciaal op hen toegespitste kortingspas. 
  • Hoe meer men moet betalen, hoe meer men leent. Leden met een standaardtarief lenen op jaarbasis twee maal zoveel als leden met een gereduceerd tarief. Leden met een topabonnement lenen twee maal zoveel als standaardleden.
  • Het heffen van leengelden in het kermismodel (keuze tussen een top- en/of reductietarief) leidt tot een lager aantal uitgeleende boeken.
  • De financiële gevolgen van het kermismodel (betalen per keer) vergeleken met het pretparkmodel (in een keer voor alles betalen) lijken gelijk te zijn. De invoering van een reductieabonnement, trekt – net als de invoering van een topabonnement overigens – iets minder dan 10% van de leden naar zich toe. De financiële gevolgen hiervan zijn hierbij in evenwicht.

Lidmaatschapspercentage naar standaardtarief

Aanbevelingen
Het onderzoek heeft geleid tot de volgende aanbevelingen:

  • Het model met drie soorten abonnementen, bestaande uit 'Reductie-Standaard-Top' (RST-model) is aan te bevelen. 'Reductie' komt tegemoet aan minima en ouderen, 'Top' aan bibliotheekliefhebbers.
  • Het verschil tussen 'Reductie' en 'Standaard' ligt in het vragen van leengeld per item. Het verschil tussen 'Standaard' en 'Top' betreft het comfort (bijv. meer items tegelijkertijd en/of langer thuis).
  • Communicatie met de gebruikers is misschien wel van groter belang dan de feitelijke hoogte van de tarieven.

Het rapport is ook beschikbaar in de vorm van een brochure (mail: rost@siob.nl).